Arie Tamerus: ‘Als ik sport vergeet ik mijn handicap’

Door Nelly Schouw-Zaat

Techniek kent voor Poeldijker Arie Tamerus geen geheimen. Zet een lasapparaat voor z’n neus en hij gaat er ’t liefst, net als vroeger, meteen mee aan de slag. Wie hem bezig ziet bij het Repair Café van Vitis Welzijn merkt dat Arie kennis heeft van rollators en ander hulpvervoer. Toch zal deze boomlange zestiger zich wel eens afgevraagd hebben hoe alle raadsels en geheimen in zijn eigen gevoelsleven moesten worden opgelost. Arie is zelf rolstoeler en gebruikte zijn handicap om als keeper bij Quintus rolstoelhandbal in een hogere versnelling te komen. Zijn team werd afgelopen jaar tijdens het WOS-gala uitgeroepen tot sportploeg van het jaar in het Westland. Aan Poeldijk Nieuws doet hij zijn leven uit de doeken.




Thuis in Poeldijk beweegt Arie Tamerus zich redelijk goed door de woonkamer op zijn twee beenprotheses. Dan staat zijn scootmobiel naast de eettafel aan de oplader. Buiten is hij geheel op dit gemotoriseerd vervoer aangewezen. Wekelijks gaat hij naar het Repair Café in Poeldijk, Monster of Hoek van Holland om fietsen van nieuwe banden en remblokken te voorzien. Of brengt vastgelopen rollators weer tot leven. ‘Dat is nuttig werk, ik wil graag mensen helpen om hun problemen op te lossen. Ik zou er best een dagtaak aan willen hebben. Zo kan ik mijn technische kennis mooi gebruiken’, zegt hij. ‘Maar in de sportzaal heb ik ’t ook naar mijn zin. Toen ik mijn tweede beenamputatie achter de rug had moest ik gaan denken aan meer lichamelijke inspanning. Ik kwam bij Quintus rolstoelhandbal terecht. Nooit gedacht dat wij als team aan de top zouden komen; ik speel ook in het nationale team. Het is hard werken en veel trainen, maar ik ga lekker door. Weinig mensen van 65 jaar spelen op dit niveau. Als ik aan ’t sporten ben vergeet ik mijn handicap’.

‘Koeien uit scheepsruim naar veehal sturen’
Het geluk is Arie niet komen aanwaaien, zijn leven lang. Het waren goede tijden én slechte tijden. Toen zijn lichamelijke gezondheid nog prima was werkte hij in de kassenbouw en reisde de hele wereld over voor zijn baas. Een nogal rauw bestaan, lang van huis zijn viel hem niet makkelijk. Maar hij verdiende een dik loon. Zijn jeugd was ook nooit zorgeloos en makkelijk. Arie: ‘Het begon al bij mijn geboorte. Ik was een zogenaamd voorkind. Mijn moeder was niet getrouwd toen ze zwanger werd. Ik werd geboren in een kraamkliniek in Loosduinen en kreeg de achternaam van mijn moeder, Hoogenraad. In mijn jongensjaren werd ik natuurlijk gepest op school en regelmatig spijbelde ik. Leren vond ik vreselijk. Later werd vastgesteld dat ik dyslectisch was en bovendien ADHD had. Dus ik was geen makkelijk ventje. Mijn moeder wist niet goed raad met mij. Ze is getrouwd met Piet Tamerus en deze tweede vader heeft mij als zijn kind laten registreren. Vandaar mijn naam Arie Tamerus. Er werden meer kinderen in het gezin geboren, maar ik voelde mij toch een buitenstaander. Het was vechten voor je bestaan als kind. Daar kon niemand wat aan doen, ’t was nou eenmaal zo. Toen ik negen jaar was kwam ik in een kindertehuis in Oosterbeek bij Arnhem. Later toen ik weer in het Westland woonde ging ik naar Maassluis en werken bij Waling van Geest, het grote exportbedrijf dat tuinbouwproducten naar Engeland verscheepte. Meestal kwamen de schepen terug met vee uit Engeland. Ik moest die koeien uit het scheepsruim naar buiten brengen en naar een veehal sturen.’




‘Mijn zoon een betere toekomst geven’
Arie’s moeder overleed in 1970 bij de geboorte van haar twaalfde kind. Hij kwam in huis bij zijn Opa en Oma Hoogenraad in de Sutoriusstraat. Zodra hij niet meer leerplichtig was ging hij werken in de kassenbouw en kon daar een goed bestaan opbouwen. Hij trof een partner en kreeg met haar twee kinderen. Maar zij gingen later toch uiteen. ‘Ik miste mijn kinderen heel erg’, bekent hij. ‘Maar ik hield zo goed mogelijk contact met hen. Wat was ik trots toen mijn zoon Randy zei: ‘Papa ik wil gaan varen.’ Hij had blijkbaar het zeemansbloed van mijn biologische vader geërfd! Randy ging de scheepvaartopleiding volgen in Rotterdam. Het was hard aanpakken voor die jongen en ik heb hem vele keren naar school moeten brengen. Er was geen tijd voor pleziertjes en ontspanning. Ik wilde mijn zoon een betere toekomst geven dan de mijne. Hij is nu zelfstandig beurtschipper en vaart door heel Europa!’

Tweede keeper in nationaal team
Arie kreeg in 2007 de ziekte van Pfeiffer, een lange periode van niet werken viel hem zwaar en kort daarna werd bij hem zwaar diabetes vastgesteld. Hij kwam zonder werk en had het moeilijk. Na twee jaar in de ziektewet besloot hij een eigen bedrijf te beginnen Tamo (Tamerus Montage) dat afwisselend goed en minder goed liep. De minder goede tijden werden deels veroorzaakt door toenemende diabetes klachten. De ziekte tast vooral ogen, hart, nieren en voeten aan. Bij Arie Tamerus waren er aanvankelijk hartklachten en later de voeten. Als gevolg daarvan werden zijn beide voeten tot halverwege het onderbeen geamputeerd. Werken als monteur in de tuinbouw ging daarom niet meer. ‘Ik moest voortaan zittend door ’t leven en ik wilde er ’t beste van maken. Daarom ging ik sporten. In mijn sportrolstoel voel ik me als een vis in ’t water. Mijn kunstbenen liggen aan de kant als ik in het doel zit, je flitst razendsnel heen en weer. Ik heb mijn lengte mee en kan aardig hoog aan de bal komen. Twee jaar terug kwam ik in de selectie van het nationale team en ben er tweede keeper. Binnenkort gaan we op Papendal trainen. Het was natuurlijk een prachtig moment dat we met Quintus kampioen van Nederland werden!’ Hoe lang wil hij nog door gaan? Arie moet daarover na denken. ‘Ik weet niet hoe lang ik op dit niveau kan blijven spelen. Ik zou wel graag trainingen geven, vooral aan jonge gehandicapte jongens en meisjes. Zij verdienen net als ik kansen om hogerop te komen’.



Author: Poeldijk

Geef een reactie