Een slagersdochter vertelt haar verhaal (1)

Vrijdagmorgen 10 mei 1940 om vier uur kwamen de Duitsers aangevlogen. Wij woonden in Wateringen, een van de dorpen van wat nu het Westland is, naast Loosduinen en Kijkduin. Van die kant kwamen ook de Duitse soldaten aangemarcheerd. Je wist niet wat je te wachten stond. Mijn moeder moest bevallen van de 7e, dat ging aan ons kinderen voorbij. ’s Nachts werd boven in de slaapkamer de wacht gehouden. Mijn broertje is op Eerste Pinksterdag 1940 ’s middags geboren. Mijn oudste zusje en ik waren bij de buren ondergebracht. Daar waren geen kinderen, alleen volwassenen die maar weinig spraken. Wij verveelden ons. We hadden niets om mee te spelen. De mensen zeiden: ‘Speel maar met je grote teen’. Samen zaten mijn zusje en ik in een kleine erker onder de ramen op de vloer.




Mijn vader had een slagerij in Wateringen en er was een bestelling van het Nederlandse leger. Er moesten 500 porties gesneden rosbief worden geleverd. Maar het leger rukte op richting Delft. Wij bleven met de gesneden rosbief achter. In Wateringen werden in het Bondsgebouw aan de Herenstraat de archieven van heel Zuid Holland bewaard. Daar was men bezorgd over, want dichtbij ons woonden meerdere mensen die zich bij de NSB hadden aangesloten. Het was vooral de zorg dat deze archieven in verkeerde handen zouden komen. Er was vlak voor het uitbreken van de oorlog een Duitse kapper in Wateringen gekomen. Na de overgave van Nederland was het hele kappersgezin plotseling uit Wateringen verdwenen. Achteraf werd bekend dat hij een spion was. Ik vond het leuk om onze hulp in de huishouding te helpen en kreeg dan ook een kinderbezem toen ik jarig was. Maar wij hadden een jongen als slager in dienst die mijn bezem handig vond om er de kookketel mee schoon te maken. Ik vond dat niet leuk, maar als klein kind durfde je dat niet hardop te zeggen. Op een keer brak de steel, weg bezem! De slagersknecht moest in het leger dienen en is gesneuveld. Zijn naam was Jan Bontje. Ik kon niet kwaad op hem blijven.

Zo ging de tijd verder. Op 30 april 1943 moest ik naar het ziekenhuis vanwege een ontstoken knie. Een maand later kwam ik pas weer thuis, in het gips van mijn heup tot aan mijn tenen. Ik mocht niet lopen en was tot juni 1945, dus wel twee jaar, thuis. Andere kinderen gingen nog naar school, maar ik niet. Toch heb ik heel veel gezien van wat anderen niet zagen. Mijn vader was medeoprichter van het Kindercomité in Wateringen. Iedere deelnemer moest 1.000 gulden storten. Met dat geld reisde het comité naar Brabant dat toen al bevrijd was, maar in het plaatsje Empel waar de mensen uit Wateringen klompen wilden kopen voor het kindercomité, zagen zij dat alle huizen in dat dorp onbewoonbaar waren. De ruiten waren er uit en de mensen woonden in kippenhokken!




Je hart stond haast stil van de spanning
In de slagerij werd nog wel wat gewerkt. Op een ochtend hing in ons slachthuis naast de winkel een koe die ’s nachts illegaal was geslacht. Een jongere broer van mijn moeder, die ook slager was, was bij een collega slager leverworst aan het koken. Onze eigen worstketel was in beslag genomen voor de gaarkeuken. Wat moest er met die koe gebeuren? De Duitse ‘Sicherheitsdienst’(SD) kon elk ogenblik langs komen. Moeders broer kwam in allerijl naar ons huis. Hoe snel ze die koe in vier voeten hadden gezaagd en naar boven hebben gesmokkeld weet ik niet meer. Onze hulp Alie kwam met emmers water om al het bloed weg te spoelen en alle sporen te verwijderen. Toen de SD inderdaad alles kwam controleren zag het er naar uit alsof de gezinswas zojuist gedaan was. De geslachte koe was bestemd voor de kindergaarkeuken. Dat zag ik allemaal gebeuren en weet nog hoe angstig het was. Je hart stond haast stil van de spanning…
(Mevrouw Toos Vis-van der Horst (87), weduwe van de Poeldijkse fietsenmaker Jan Vis, schrijft deel twee van haar herinneringen in de volgende Poeldijk Nieuws)

Author: Poeldijk

Geef een reactie