Een slagersdochter vertelt haar verhaal (deel 2)

Gulden Mis heet de woensdag na de derde Adventszondag. Dat is een speciale Mis over de naderende geboorte van Jezus. In 1944, het was hongerwinter, viel die dag op 15 december. Overal waren de rooms katholieke kerken ’s morgens in alle vroegte overvol, want mensen zochten steun en troost in het geloof. Mijn moeder was er ook. Achterin de kerk een doos, waar mensen, die nog iets konden missen, kleding in stopten voor de allerarmsten. Deze Gulden Mis was ook de dag dat overal in het Westland razzia’s waren. Alle jongens en mannen van 16 jaar en ouder werden opgepakt en weggevoerd, honderden werden uit hun huis en gezin gehaald. Zij marcheerden bewaakt door Duitse soldaten door de straten, maar veel jongens en mannen hadden zich verstopt. Mijn moeder kwam uit de kerk met de oudste zoon uit ons gezin van zeven kinderen. Bij ons waren twee broers, vaders van een gezin, ondergebracht. Ze hadden elk zes boterhammen bij zich. Wij kinderen kregen elk van moeder twee oorlogs ’kuchies’. Ons gezin telde 10 kinderen!




Mijn vader had voor een klant leverpastei gemaakt, wij kregen ook wat. De twee onderduikers mochten er hun boterhammen mee beleggen. Toen kwamen de Duitsers, de winkelbel ging. De twee jongens doken bliksemsnel onder de toonbank in het slachthuis. Geen tijd om de toonbank op z’n plaats te schuiven. Alie, onze hulp, haalde snel hun borden van de tafel. Een Duitse soldaat liep naar boven, waar het jongste kind van vier maanden in zijn bedje lag. De verduistering werd kapot gemaakt. Een andere Duitser bleef in de gang met een handgranaat, een derde stond in de keuken. Uiteindelijk vertrokken zij. Tot overmaat van ramp stond onder de toonbank waar de twee jongens verborgen waren ook nog een grote radio. Onze radio was ingeleverd. Pa kocht die radio in 1944 om toch naar de Engelse zender te kunnen luisteren. Volgens mij moeten die Duitsers gedacht hebben dat die grote radio een kastdeur was. Een zusje van tien jaar wist later te vertellen dat zij had geholpen met het weer aanschuiven van die zware toonbank. Toen het weer enigszins veilig was zijn de twee ondergedoken vaders naar een alleenwonende tante gebracht. Het was de gewoonte van mijn vader, voor hij naar bed ging, ’s avonds het huis met een palmtakje en schaaltje wijwater te zegenen. Hij maakte dan in elke kamer een kruisteken. Er kwamen in die tijd veel mensen uit Den Haag om eten te vragen. Mijn moeder had op een dag de was gedaan in het slachthuis. De wolletjes (wollen hemdjes) moesten met de hand gewassen worden. Zeven stuks. Er kwam een vrouw aan de deur en vroeg om eten. Moeder warmde soep op, de vrouw wachtte in het slachthuis en zag de gebreide hemdjes. Toen moeder met de soep kwam was de vrouw weg, mét de wolletjes! Wij kinderen hadden toen nog elk maar één wolletje…

Zo werd het voorjaar in 1945. Lente, schoonmaaktijd. In 1937 was bij ons een nieuwe bedrijfsruimte gebouwd. Een stal voor koeien die werden geslacht. Een varkenshok ernaast, magazijn, rookkast en bak voor afval. Er viel heel wat schoon te maken. Er was ook een ruimte met de WC, waterpomp en trap. Daar was een speelruimte en een kamer voor personeel. Boven in het varkenshok waren planken aan de muur, daarop weckpotten met ingemaakte etenswaren. Voor de oorlog hadden wij ook blikken ham en dergelijke, bestemd voor de verkoop. Als zo’n blik bol stond was het ongeschikt voor de verkoop. Zo lieten we die blikken ham daar, met een kleed overdekt en keken er niet meer naar om. Aan het eind van de oorlog werd er voedsel gedropt en was er al witbrood van meel uit Zweden. Op een avond moesten wij met de jongere kinderen naar het Lof in de kerk. Toen kwamen wij thuis en de tafel was gedekt met een wit laken. Op elk bord lagen maar liefst vier sneden wit brood en stonden er schaaltjes met ham, ei en kalfsgehakt op tafel. We wisten niet wat ons overkwam! Met die ‘bolle blikken vlees’ bleek niks mis te zijn. Hadden we dat maar eerder geweten. Een paar maanden daarvoor, met Kerstmis, zaten wij met twintig mensen na de Nachtmis om de tafel met een zeer schaarse maaltijd, waarvoor ook nog een ander groot gezin was uitgenodigd…




Zweedse kaakjes met reuzel likten wij als ijsje
Tegen het eind van de oorlog, toen er hier en daar al meer voedsel kwam, werden bij de slagers regentonnen met reuzel gebracht om uit te delen. Dat gaf bij ons veel drukte, iedereen kwam voor reuzel naar de slager. Wie binnen was kon niet meer naar buiten. Dus ging de gangdeur open en kon men door de buitendeur weer naar het Plein. Mensen kwamen met de gekste dingen om reuzel in te doen. Iemand zelfs een po! Er was gebrek aan alles: zeep om kleding en jezelf te wassen. Veel mensen hadden vlooien en luizen. Elke morgen werden wij door mijn moeder wakker gemaakt. Zij begon aan het voeteneind de dekens op vlooien te controleren zodat wij zonder deken lagen, ‘vreselijk’. Bij droppings werden ook blikken biscuits uitgeworpen. ‘Kaakjes’ noemden wij die. Die waren lekker, vooral als je ze met reuzel besmeerde en nóg een kaakje erop. Wij likten ze als een ijsje.

Kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog is in Wateringen een actie opgezet om in Empel (Brabant), waar de woningnood nog voortduurde, huizen van glas te voorzien. Tijdens de tocht om klompen voor Westlandse kinderen te kopen, was men zo onder de indruk geraakt van de ellende van de mensen dat er een glas-actie in Wateringen werd gehouden. Het comité was drie dagen in Empel en er zijn veel huizen glasdicht gemaakt. Het was één groot feest. De pastoor van Empel kwam langs en deelde sigaren uit. Hij kwam uit een sigarenmakers familie en had nog een voorraadje over. Hiermee eindig ik. Het was een hele klus!

(Mevrouw Toos Vis-van der Horst (87), weduwe van de Poeldijkse fietsenmaker Jan Vis, schreef het eerste deel van haar herinneringen in de vorige Poeldijk Nieuws)

Author: Poeldijk

Geef een reactie